NL | FR | EN
Nieuws

Algemeen

Terug vorderen van ten onrechte ingehouden roerende voorheffing op dividenden van Belgische (beurs) vennootschappen. 

Met het Tate & Lyle arrest dd. 12 juli 2012 maakt het Hof van Justitie een einde aan de discriminerende praktijk in België inzake de roerende voorheffing.

Een Europese vennootschap die een participatie van minder dan 10% aanhoudt in het kapitaal van een Belgische vennootschap, maar met een aanschaffingswaarde van minimaal 1,2 miljoen EUR (2,5 miljoen EUR vanaf 1 januari 2010), is Belgische roerende voorheffing verschuldigd op de uitgekeerde dividenden.

Wanneer daarentegen deze dividenden door een Belgische vennootschap worden ontvangen, is er geen roerende voorheffing verschuldigd.

Het Hof heeft beslist dat dit onverenigbaar is met het vrije kapitaalverkeer.

De Europese (holding)vennootschappen die zich in deze situatie bevinden kunnen de onterecht ingehouden roerende voorheffing terugvorderen hetzij door het indienen van een bezwaarschrift binnen de termijn van zes maanden, hetzij door een verzoek tot ambtshalve ontheffing binnen de termijn van 5 jaar.

De voorwaarden waaronder de administratie zal ingaan op verzoeken tot teruggave van onterecht ingehouden roerende voorheffing werden vastgelegd in de circulaire nr. Ci.RH.233/609.568 (AAFisc Nr. 26/2013) dd. 28.06.2013

Vanhaute advocaten heeft reeds met succes tal van procedures ingeleid en staat u hier graag in bij.


Fiscaal Regulariseren ook na 2 januari 2014 nog mogelijk? 

We krijgen tot op heden de vraag of het regulariseren van niet-aangegeven buitenlandse inkomsten nog mogelijk is in België.

Hoewel de allerlaatste fiscale regularisatieronde ten einde is gelopen, kan men nog steeds ‘spontaan’ regulariseren bij zijn lokale belastingcontroleur, de BBI of het parket.

Deze procedure kent zijn voor-en nadelen:

Zo is de woonstaatheffing in dit geval wel verrekenbaar en is er geen aanvullende gemeentebelasting verschuldigd.

De keerzijde van de medaille is dat we geen beroep meer kunnen doen op de gekende tarieven van de belastingverhoging (10/15% op de geregulariseerde inkomsten) zoals voorzien in de Programmawet van 2005, maar dat de fiscus de belastingverhoging conform artikel 444 WIB (10 pct-200% van de aanvullende belasting) zal toepassen.

International Tax Specialists Group (ITSG)

Zoals elk jaar vertegenwoordigt Vanhaute advocaten ook in 2014 België op de bijeenkomsten van de International Tax Specialist Group (zie www.itsgnetwork.com) die gehouden worden op 8/9 mei in Milaan (Europese afdeling) en op 30/31 Oktober in Parijs (wereldwijde meeting). We komen hier later op meer in detail op terug.

Aangifteplicht buitenlandse juridische constructies

Aangifteplicht buitenlandse juridische constructies

Met de Wet van 30 juli 2013 heeft de wetgever de verplichting ingevoerd om private vermogensstructuren aan te geven in de personenbelasting. Deze verplichting geldt vanaf aanslagjaar 2014 (inkomstenjaar 2013). In uw jaarlijkse aangifte moet u het bestaan vermelden van een juridische constructie waarvan uzelf, uw echtgeno(o)t(e) of de kinderen van wie u het wettelijk genot van de inkomsten hebt, oprichter, begunstigde of potentieel begunstigde bent/is. De nieuwe regeling viseert enkel private vermogensstructuren en niet de constructies die binnen de uitoefening van een beroepswerkzaamheid vallen.

 

Onder “juridische constructie” begrijpt de wetgever (art. 2, § 1, 13°, b) WIB92):

  • enerzijds structuren die gelijkaardig zijn aan de zgn. trusts en fiduciaire structuren;
  • anderzijds buitenlandse rechtspersonen die gevestigd zijn in een belastingparadijs (geen inkomstenbelasting) of in een staat met een aanzienlijk gunstiger fiscaal regime dan deze in België.

 

De tweede categorie van juridische constructies werd gespecifieerd door de wetgever in het KB van 19 maart 2014. Het KB bevat een lijst met 69 private vermogensstructuren die worden geacht niet aan een inkomstenbelasting te zijn onderworpen of een aanzienlijk gunstigere regeling te genieten dan in België (wat betreft hun roerend inkomen). Alle entiteiten die voorkomen op de lijst, moeten worden aangegeven.

 

Over twee aspecten is de wetgever niet duidelijk geweest. Ten eerste stelt zich de vraag of deze lijst limitatief of indicatief is. De meeste auteurs gaan ervan uit dat het een limitatieve lijst betreft. Ten tweede is het niet duidelijk of de belastingplichtige het vermoeden mag weerleggen door te bewijzen dat de “juridische constructie” wel degelijk aan een inkomstenbelasting is onderworpen die niet aanzienlijk gunstiger is. Ook hier menen de meeste auteurs dat het gaat om een onweerlegbaar vermoeden. De belastingplichtige moet de constructies die op de lijst voorkomen dus sowieso aangeven.

 

Het wordt dus afwachten tot de wetgever of de fiscale administratie de regeling verder verduidelijkt.